20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne

20.000 Mijlen onder Zee

byJules Verne

Kobo ebook | October 28, 2015 | Dutch

not yet rated|write a review

Pricing and Purchase Info

$1.32

Available for download

Not available in stores

about

Het jaar 1866 werd gekenmerkt door eene zonderlinge gebeurtenis,
namelijk eene onverklaarbare verschijning, welke niemand zeker
vergeten heeft. Zonder nog te gewagen van de praatjes, welke de
bewoners der zeeplaatsen ongerust maakten en over het algemeen hen,
die meer binnenslands woonden, in opgewonden toestand brachten, waren
het vooral de zeelieden, die bijzonder in angst verkeerden. Kooplieden,
reeders, scheepsbevelhebbers in Europa en Amerika, zeeofficieren van
allerlei natie en zelfs de regeeringen van de onderscheidene staten der
beide werelddeelen hielden zich met deze zaak in ernstige mate bezig.

En inderdaad, sinds eenigen tijd hadden verscheidene schepen een
verbazend groot voorwerp ontmoet, dat den vorm had van eene spil,
soms licht van zich gaf, en oneindig veel grooter en sneller was dan
een walvisch. De scheepsjournalen kwamen vrij nauwkeurig met elkander
overeen in de beschrijving van den vorm van dat voorwerp of wezen,
van de onberekenbare snelheid zijner bewegingen, de verbazende kracht
waarmede het zich verplaatste, en zijne bijzondere levenswijze. Als
het een walvisch was, overtrof hij in grootte al wat de wetenschap
en het onderzoek tot nog toe hadden doen kennen; noch Cuvier, noch
Lacépède, noch Dumeril, noch Quatrefages zouden zóó iets geloofd
hebben--of zij moesten het monster hebben gezien, dat is te zeggen,
gezien met de oogen van een geleerde!

Als men de gulden middelmaat betrachtte tusschen al de opmerkingen, die
nu en dan gemaakt waren, door zoowel de te kleine opgave te verwerpen,
welke aan dat voorwerp eene lengte gaf van slechts 200 voet, als de
overdreven meening dat het een kilometer breed en drie lang zou zijn,
zoo kon men toch wel aannemen dat dit buitengewone wezen in grootte
verreweg alle berekeningen overtrof, welke ichthyologen tot nog toe
gemaakt hadden, altijd--als het al bewezen kon worden, dat het bestond.

Maar dat het bestond kon niet ontkend worden, en men zal zich een
denkbeeld kunnen vormen van de ontroering, welke deze bovennatuurlijke
verschijning in de geheele wereld te weeg bracht, als men slechts
in het oog houdt dat er in den menschelijken geest eene neiging voor
het wonderbaarlijke bestaat.

Inderdaad had de stoomboot Gouverneur Higginson van de Calcutta-
en Burmah-Compagnie, op 20 Juli 1866, deze beweegbare massa op vijf
kilometers van de oostkust van Australië ontmoet. De kapitein Baker
geloofde eerst dat het een onbekende klip was; hij wilde er reeds de
juiste ligging van bepalen, toen het onverklaarbare ding sissend twee
waterstralen 50 meter hoog in de lucht spoot. Als dat nu geen klip
was waar een onderaardsche warme bron tusschenbeiden met geweld in
de hoogte werd gedreven, dan had de Gouverneur Higginson hier goed en
wel te doen met eenig tot nog toe onbekend zoogdier, dat waterstralen
met lucht en damp vermengd uit zijne kieuwen uitblies.

Iets dergelijks werd 23 Juli van hetzelfde jaar in de Stille
Zuidzee opgemerkt door de Christobal Colon van de West-Indische en
Zuidzee-Compagnie. Derhalve kon die buitengewone visch zich met eene
verbazende snelheid van de eene plek naar de andere bewegen, want
genoemde schepen hadden het monster slechts drie dagen na elkander
op twee verschillende punten van den aardbol ontmoet, welke meer dan
2800 kilometer van elkander lagen.

Veertien dagen daarna zeilden de Helvetia van de Nationale Compagnie
en de Shannon van de Koninklijke Mail op 800 kilometer afstand van
laatstbedoelde plek in elkanders nabijheid; zij zagen het monster op
42° 15' N.B. en 60° 35' W.L. van Greenwich. Bij deze gelijktijdige
ontmoeting meende men de lengte van het zoogdier op minstens 106 meter
te kunnen bepalen, daar beide schepen van kleiner afmeting waren,
hoewel zij van den voor- naar den achtersteven ongeveer 100 meter
lengte hadden. En de grootste walvisschen, die men in den omtrek der
Alcuten vindt, waren niet langer dan 56 meter, als zij die lengte
al hadden.

Over het algemeen was men in gespannen verwachting door die berichten,
welke zoo snel na elkander kwamen. Aan boord van de Transatlantische
boot de Pereira had men het dier gezien; de Etna van de Inmanlinie
had het monster ontmoet; de officieren van het Fransche fregat de
Normandië hadden een proces-verbaal over eene ontmoeting opgesteld,
de officieren van den commodore Fitz-James aan boord van den Lord
Clyde hadden een zeer ernstig bericht gegeven, enz. In sommige landen
had de luchthartigheid der bewoners met het verschijnsel gespot,
maar in ernstiger en vooral practische landen, zooals Engeland,
Amerika en Duitschland, hield men zich er ernstig mede bezig.

Overal kwam het monster in de mode: in koffiehuizen werd het
bezongen, in de dagbladen bespot, zelfs op het tooneel opgevoerd;
het gaf schoone gelegenheid om er tal van leugens op te verzinnen;
als de dagbladen gebrek aan stof hadden, werden wederom allerlei
denkbeeldige en reusachtige wezens besproken van den witten walvisch,
dien vreeslijken "Maby Dick" uit de poolstreken tot den onmetelijken
Kraken toe, wiens voelarmen een schip van 500 ton konden omvatten en
het in de diepten van den Oceaan medeslepen. Men haalde zelfs verhalen
op uit de oudheid, de meeningen van Aristoteles en Plinius, die aan het
bestaan van zulke monsters geloof hechtten, vervolgens de verhalen van
den Noorweegschen bisschop Pontoppidan, het relaas van Paul Heggede,
en eindelijk het verslag van Harrington, wiens goede trouw men niet
kan verdenken als hij de verzekering geeft dat hij in 1857 aan boord
van den Castillaan de groote zeeslang gezien heeft, welke tot nog toe
slechts in de verbeelding van vroegere dagbladschrijvers bestaan had.

Nu ontstond er in geleerde genootschappen en wetenschappelijke bladen
een eindeloos twistgeschrijf tusschen geloovigen en ongeloovigen; het
vraagstuk van het monster ontvlamde de geestdrift. Dagbladschrijvers,
die zich slechts op wetenschappelijk terrein bewogen, verschreven
in den merkwaardigen strijd stroomen van inkt tegen sommigen hunner
confraters, die er zich op toelegden om geestig of vernuftig te zijn;
enkelen zelfs hadden er hun bloed veil voor, want bij het bespreken
van het zeegedrocht wierpen zij elkander de grofste beleedigingen
naar het hoofd. Gedurende zes maanden duurde die strijd onafgebroken
voort. De kleine bladen beantwoordden met onuitputtelijke geestigheid
de degelijke stukken van het aardrijkskundig instituut van Brazilië,
van de koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn, van het
Britsch genootschap, van het Smithsoniaansch instituut te Washington,
zelfs het onderzoek van het tijdschrift "The Indian Archipelago," van
den "Cosmos" van den abt Moigno, van de "Mittheilungen" van Peterman en
de wetenschappelijke beoordeelingen van de groote dagbladen. Geestige
schrijvers parodiëerden een gezegde van Linnaeus, dat door hunne
tegenstanders was aangehaald, en hielden vol dat "de natuur geen
gekken voortbracht," waarom zij hunnen tijdgenooten bezwoeren de natuur
niet tot leugenaarster te maken door aan het bestaan van een Kraken,
een zeeslang, een "Maby Dick" en andere buitensporigheden van dwaze
zeelieden te gelooven. Eindelijk richtte een gevierd schrijver in een
zeer gevreesd satiriek blaadje zijne pen tegen het monster en bracht
het onder een algemeen gelach den laatsten slag toe; het vernuft had
de wetenschap overwonnen.

Gedurende de eerste maanden van 1867 scheen het vraagstuk dus in
den doofpot gestoken te zijn, zonder immer weder te voorschijn te
zullen komen, toen nieuwe gebeurtenissen de zaak evenwel anders
beslisten. Er was toen geen sprake meer van het oplossen van
een wetenschappelijk raadsel, maar wel van een ernstig gevaar,
dat vermeden moest worden. De zaak nam een geheel andere wending;
het monster werd wederom een eilandje, of rots, of klip, maar een
beweegbare, onbeschrijfelijke klip.

In den nacht van den 5den Maart 1867 bevond zich de Moravian van
de Montreal Oceaan Compagnie op 27° 30' N.B. en 72° 15' W.L., toen
het schip aan stuurboordzijde op een rotspunt stootte, welke geene
zeekaart aanwees. Met behulp van een goeden wind en eene stoommachine
van 400 paardekracht, stoomde het schip met eene snelheid van dertien
knoopen. Zonder de voortreffelijkheid van den romp zou de Moravian
lek gestooten en met de 237 passagiers, die het schip uit Canada
medebracht, gezonken zijn. Dit ongeval had plaats ongeveer vijf uur
in den morgen, toen het daglicht begon door te breken. De officieren
van de wacht snelden naar het achterschip, en onderzochten nu de
zee in de rondte met de grootste nauwkeurigheid; zij zagen niets
behalve een sterk bewogen zog, dat op drie kabellengten afstands
eene branding vertoonde alsof de golven heftig in beweging waren
gebracht. De plaats werd nauwkeurig bepaald, en de Moravian vervolgde
zonder schijnbare averij haar koers. Men kon niet te weten komen of
het schip op een onderzeesche klip of op eenig groot voorwerp uit
eene schipbreuk herkomstig gestooten had. Toen men het in het dok
onderzocht, ontdekte men dat een gedeelte van de kiel gebroken was.

Hoewel dit op zich zelve een zeer ernstig feit was, zou het wellicht
als zoovele andere zaken vergeten zijn, indien er niet drie weken
later iets dergelijks onder gelijksoortige omstandigheden had plaats
gehad. Doch deze gebeurtenis kreeg bijzonder groote ruchtbaarheid,
én door de herkomst van het schip, waarmede het plaats vond, én door
den grooten naam van de maatschappij, waartoe het behoorde.

Iedereen kent den naam van den beroemden Engelschen reeder Cunard;
deze schrandere industriëel riep in 1840 een postdienst in het leven
tusschen Liverpool en Halifax, waarbij de dienst verricht werd door
drie houten raderstoombooten van 400 paardekracht met een inhoud
van 1162 ton. Acht jaar daarna kwamen er vier schepen bij van 650
paardekracht en 1820 ton, en nog twee jaar later twee nog grooter
schepen. In 1853 liet de Cunard-maatschappij, wier octrooi voor het
brievenvervoer vernieuwd was, achtereenvolgens de Arabia, de Persia, de
China, de Scotia, de Java en de Russia bouwen; het waren allen schepen
van groote snelheid, en de grootste, welke behalve de Great-Eastern,
ooit de zee doorkliefd hadden. Zoo bezat de maatschappij derhalve
in 1867 acht rader- en vier schroefstoombooten. Ik geef deze korte
bijzonderheden op om te doen zien hoe belangrijk deze maatschappij is,
welke overal bekend is om hare soliditeit. Geene enkele onderneming
van overzeeschen stoombootdienst wordt met grooter bekwaamheid
geleid, geen enkele zaak is met beter uitslag bekroond. Gedurende
26 jaar hebben de schepen der Cunard-maatschappij, 2000 maal de reis
over den Oceaan gedaan, en nooit is eene reis mislukt, nimmer heeft
er oponthoud plaats gehad, en geen enkel schip, geen enkel mensch,
zelfs geen enkele brief is er ooit bij verloren gegaan. Daarom kiezen
passagiers niettegenstaande de groote concurrentie van eene Fransche
maatschappij, nog altijd bij voorkeur de schepen der Cunard-lijn,
zooals genoegzaam uit de verslagen der laatste jaren blijkt. Na dit
alles zal niemand zich verwonderen over de ruchtbaarheid, welke een
ongeval kreeg, dat een van hare grootste stoomschepen overkwam.

De Scotia bevond zich 13 April 1867 bij kalme zee en flauwe koelte op
15° 12' W.L. en 45° 37' N.B., en liep met eene snelheid van dertien
en een halven knoop; de raderen bewogen zich zeer regelmatig; de
diepgang was toen 6,7 meter. Zeventien minuten over vieren, terwijl
de passagiers in het salon vereenigd waren om een lunch te gebruiken,
voelde men een niet zeer hevigen schok, die even achter het rad aan
bakboordszijde werd toegebracht. De Scotia had niet gestooten, maar
een stoot ontvangen van een werktuig dat eer snijdend of borend dan
kneuzend was. De schok was zoo gering geweest, dat niemand aan boord
er zich ernstig ongerust over maakte, toen de matrozen uit het ruim
naar boven stormden met den kreet: "wij zinken, wij zinken!" Eerst
waren de passagiers zeer ontsteld, maar kapitein Anderson stelde hen
spoedig gerust; en inderdaad, het gevaar kon zoo dreigend niet zijn;
de Scotia was door waterdichte beschotten in zeven afdeelingen verdeeld
en kon dus zonder vrees een lek velen. De kapitein ging onmiddellijk
naar beneden en bevond dat de vijfde afdeeling vol water liep; dit
geschiedde zoo snel, dat het lek zeer groot zijn moest. Gelukkig
bevond zich de machine niet in dit gedeelte, anders waren de vuren
aanstonds uitgegaan. De kapitein liet onmiddelijk stoppen, en een
matroos dook in het water om te onderzoeken welke averij men had
gekregen; hij vond dat er een gat van twee meter breed in de kiel
was. Zulk een lek kon niet gestopt worden, en de Scotia moest hare
reis vervolgen met de raderen voor de helft in 't water. Men was toen
nog op 300 kilometer van kaap Clear, doch eindelijk liep de boot toch
te Liverpool in het dok der maatschappij binnen; zij kwam drie dagen
te laat aan, waarover men zeer ongerust was geweest.

Details & Specs

Title:20.000 Mijlen onder ZeeFormat:Kobo ebookPublished:October 28, 2015Publisher:Consumer Oriented Ebooks PublisherLanguage:Dutch

The following ISBNs are associated with this title:

ISBN:9990051194548

Look for similar items by category:

Customer Reviews of 20.000 Mijlen onder Zee

Reviews