De wonderstraal (geïllustreerd) by Jules Verne

De wonderstraal (geïllustreerd)

byJules Verne

Kobo ebook | November 17, 2015 | Dutch

not yet rated|write a review

Pricing and Purchase Info

$1.32

Available for download

Not available in stores

about

BROEDER SAM EN BROEDER SIB.


»Bet!"

»Beth!"

»Bess!"

»Betsy!"

»Betty!"

Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall" van
Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte
van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van
het buitenverblijf noodig hadden.

Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin
de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare
heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.

Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in
de hand aan de deur der hall vertoonde.

Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk,
wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie
glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:

»Roepen de heeren juffrouw Bess?" zei hij; »maar die is niet op het
buitenverblijf."

»Waar is zij dan, Partridge?"

»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt."

Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide
personen gaven.

Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,--verkleinwoorden,
afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan--de ooms van
Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een
ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar,
en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste,
Sib de jongste.

Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met
weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat
hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders
van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk
van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende
ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen
op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde
verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden
over niets anders dan het jonge meisje.

Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld
worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens,
die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die
van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot
vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan
ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten
met een:

»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?"

Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken,
behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige
kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als
de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte
wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het
zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te
treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan
het meesterstuk: Nikolaas Nickleby geheeten, ontleend te hebben;
niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.

Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan
een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit
verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen
worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college
en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde
denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige
uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met
dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde
gebaren. In 't kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel
er eenig onderscheid in hun lichamelijk gestel te bespeuren was. En
inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan
Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen
verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan
te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan
der Melvill's geschreven stond.

Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige
en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van
goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden,
behalve dat--wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?--Sam de
donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.

Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke
lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas
in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen
afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de
groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee
zuilen van het stamhuis der Melvill's nog stevig. Zij zouden nog langen
tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw
dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace,
heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover
Engeland betwistte.

Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het
welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven
ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het
bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen
daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen,
zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen
hunner voorouders.

Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich
geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd
om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom
te bereiken.

Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,--wie toch is
volmaakt op deze aarde?--en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden
met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van
Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van
Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland
van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?

Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet
medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het
bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor
het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal
kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeld is. Welnu, de
gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden
op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in
den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook,
aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid,
zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat
draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van
den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal
wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren
in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche
kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de
een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan
haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen,
dan zeiden zij beiden: »God zegene u!"

Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer
het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op
de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van
nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet,
er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder
thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige
vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden
en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een
Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen
denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.

En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk
een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest
geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het
moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan
een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen
kon, dan haar gelukkig maken.

Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan
hadden zij juist zoo'n braven jongen gevonden, wien die aangename
taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.

»Helena is alzoo uit, broeder Sib?"

»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra
te huis komen."

»En zoodra zij te huis zal zijn...."

»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar
te hebben."

»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd
van achttien jaar bereikt hebben."

»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even
bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?"

»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren...."

»Door haar geestesgaven...."

»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden...."

»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor,
de groote en indrukwekkende figuur van Waverley!"

De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver,
haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit den Oudheidkundige,
uit Guy Mannering, uit den Abt, uit het Klooster, uit de Mooie Meid
van Perth, uit het Kasteel van Kenilworth enz.; maar alle moesten
volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.

Details & Specs

Title:De wonderstraal (geïllustreerd)Format:Kobo ebookPublished:November 17, 2015Publisher:Consumer Oriented Ebooks PublisherLanguage:Dutch

The following ISBNs are associated with this title:

ISBN:9990051229417

Look for similar items by category:

Customer Reviews of De wonderstraal (geïllustreerd)

Reviews