De Zuidster, het land der diamanten by Jules Verne

De Zuidster, het land der diamanten

byJules Verne

Kobo ebook | November 17, 2015 | Dutch

Pricing and Purchase Info

$1.32

Available for download

Not available in stores

about

"Spreek, mijnheer, ik luister."

"Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter,
te vragen."

"De hand mijner Alice?...."

"Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch
moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor
dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig
jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als
numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school
verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht
en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal
u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn
vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals
iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik
ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie
des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen
gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor
mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische
rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend
bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders
dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke
lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd
tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last
gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104
op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden
Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is
het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst
mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische
prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat
ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne
behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om
mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de
hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen."

Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf
Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had
in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te
gaan en vrij uit te spreken.

Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door
zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch,
dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen
bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan 's werelds
ijdelheden afstond.

Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg,
zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren
was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed
van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden
op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak,
met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen,
met gedekten hoofde was gebleven,--dat alles toonde aan, dat Cyprianus
Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten
en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde.

Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt
zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen
van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had.

Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in
een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op
een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund
was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij een glas,
half met dien alcoholischen drank gevuld.

Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van
grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest
of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd
geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht,
dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop,
die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat,
dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke
men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine
grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet
veel geduld of goedheid des harten aanduidden.

Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen,
dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt
was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje
eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als
overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier
gewrichten zij knaagt, te verzachten.

Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve
van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad
ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van
Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden
van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene
gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door
den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich
aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari,
welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland
voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het
"Diamonds-Field", het Diamantenveld, geheeten.

De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had,
was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste
weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke
armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer
bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die
hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan
de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een
zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens
van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door
overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene
tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te
huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit
Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen
uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te
nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd
had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook
de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe-
en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren,
aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid.

Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis
geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken
gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te
lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met
bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht
waren.

Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd
was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te
buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken,
allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die
zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren
allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten
had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve
alshetware den stijgenden trap aangaven.

De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en
mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De
volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken;
de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke toonladder
de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en
tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen,
die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen
op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal-
met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren
van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte
zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken,
eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld--zooals die vlakte
daar te lande genoemd werd--bestond uit een roodachtigen, drogen,
onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts
eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken
vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk
van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen
wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de
gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de
vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er
ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen
van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken.

Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet,
wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig
ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel
verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare
bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen.

De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken
door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen:
den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog
rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten
hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel van levende wezens.

Het is daar in dat Veld, dat de diamant-placers, die in volle
ontginning zijn, aangetroffen worden. Daar ligt Du Toit's Pan, de
New Rush, en de rijkste van allen misschien, genaamd het Vandergaarts
Kopje. Die onoverdekte mijnen, welke bijna met de oppervlakte van den
bodem gelijk liggen, worden met den algemeenen naam van "dry diggings"
of droge mijnen bestempeld en hebben sedert het jaar 1870 voor eene
waarde van vier honderd millioen aan diamanten en andere kostbare
steenen opgeleverd. Die mijnen liggen vereenigd in eene streek, welker
omtrek ten naastenbij twee of drie kilometers bedraagt. Men kon ze
zeer goed met een kijker van uit de vensters der pachthoeve Watkins
waarnemen, die er slechts vier Engelsche mijlen [1] van verwijderd lag.

De naam van pachthoeve, zij hier ter loops gezegd, is eene zeer
oneigenlijke uitdrukking voor een gebouw van deze soort; want het was
onmogelijk, ook maar een spoor van plantenkweeking in den omtrek te
bespeuren. Mr. Watkins was, evenals alle andere zoogenaamde pachters in
dit gedeelte van Zuid-Afrika, eerder een herdersbaas, een veefokker,
een eigenaar van kudden runderen, geiten en schapen te noemen dan de
bestuurder eener landbouwonderneming.

Mr. Watkins had intusschen nog niet geantwoord op het verzoek,
dat door Cyprianus Méré zoo beleefd, maar ook zoo duidelijk mogelijk
uitgesproken was. Na eenige minuten gebezigd te hebben om na te denken,
ging hij eindelijk er toe over, om zijn pijp uit den mond te nemen, en
uitte hij de volgende meening, die blijkbaar slechts eene verwijderde
betrekking met het tegenwoordig vraagstuk had:

"Ik geloof dat er verandering van weer op til is, waarde heer. Nooit
heeft mijn podagra mij zoo doen lijden als hedenmorgen !"

De jeugdige ingenieur fronste de wenkbrauwen, boog een oogenblik
het hoofd ter zijde en moest zich geweld aandoen om niets van zijne
teleurstelling te doen blijken.

"Gij zoudt wellicht in uw belang handelen, wanneer gij den gin liet,
mijnheer Watkins," antwoordde hij, terwijl hij met een gebaar op
de aarden kruik wees, die door een vlijtig aanspreken van wege den
dronkaard voor meer dan drie kwart geledigd was.

"Den gin laten! Bij God! dat is een kostelijke ui." riep de pachter
uit. "Heeft de gin ooit kwaad aan een braven kerel berokkend?.... Ja,
ik weet wel wat gij wilt zeggen!.... Gij wilt mij dat recept opdreunen,
hetwelk een geneesheer voorschreef aan een lord-mayor die het pootje
had!.... Hoe heette die dokter ook weer?.... Abernethy, geloof
ik!.... Wilt gij gezond zijn en blijven? vroeg hij aan zijn patient;
leef dan van een shilling daags en verdien dien met persoonlijken
arbeid! Dat is fraai en goed geleuterd! Maar ik vraag het u bij
al wat heilig is, wanneer men om gezond te zijn van de waarde van
een shilling leven moest, waartoe zou het dan dienen een vermogen te
verwerven? Dat zijn zotte leuterpraatjes, mijnheer Méré, die iemand van
uw verstand geheel onwaardig zijn!.... Dus praat daar niet meer over,
wat ik u bidden mag!.... Wat mij betreft, ik zou liever begraven
willen zijn!.... Goed eten, goed drinken, een lekkere pijp tabak
en dat alles wanneer ik zulks wensch, dan verlang ik niets meer ter
wereld !.... En gij zoudt willen dat ik daar afstand van deed?"....

Title:De Zuidster, het land der diamantenFormat:Kobo ebookPublished:November 17, 2015Publisher:Consumer Oriented Ebooks PublisherLanguage:Dutch

The following ISBNs are associated with this title:

ISBN:9990051229592

Look for similar items by category:

Customer Reviews of De Zuidster, het land der diamanten

Reviews