Robur de Veroveraar (geïllustreerd) by Jules Verne

Robur de Veroveraar (geïllustreerd)

byJules Verne

Kobo ebook | December 9, 2015 | Dutch

Pricing and Purchase Info

$1.32

Available for download

Not available in stores

about

"Pang!...."

"Pang!...."

De twee pistoolschoten gingen als het ware tegelijkertijd af. Eene
koe, die op een afstand van vijftig passen ongeveer rustig graasde,
kreeg een der kogels in de bovenrugwervels. Toch, dat moet erkend
worden, had zij aan het geheele geval hoegenaamd geene schuld. De
onschuldigen boeten in den regel voor de schuldigen.

Geen der beide vechtenden was geraakt geworden. Zoo gaat het gewoonlijk
in de wereld.

Wie waren die twee heeren, die daar op elkander geschoten, die naar
elkanders leven getracht hadden?

Wij weten het niet. En toch was, dunkt ons, de gelegenheid schoon,
om hunne namen aan de vergetelheid te ontrukken, om die namen voor
het verre nageslacht te bewaren. Alles wat hier evenwel medegedeeld
kan worden is, dat de eene, de oudste, Engelschman, en de andere,
de jongste, Amerikaan was.

Vraagt men of wij de plek kunnen aanduiden, waar de doodonschuldige
herkauwster haar laatste bosje gras gegraasd had? Niets gemakkelijker
dan dat. Dat viel voor op den rechteroever van de Niagara, niet heel
ver van die hangende brug, welke de verbinding daarstelt van den
Amerikaanschen met den Canadaschen oever, op ongeveer drie mijlen
beneden de beide watervallen.

De Engelschman trad toen met vasten tred op zijn tegenstander den
Amerikaan toe:

"En toch, in weerwil van alles, houd ik steeds vol, dat het de _Rule
Britannia_! was," zeide hij.

"Neen, gij vergist u. Het was de _Yankee Doodle_; ik verzeker het u,"
hernam de andere.

De twist zou waarlijk weer losgebroken zijn, toen een der
getuigen--waarschijnlijk in het belang van het grazend vee--meende
tusschenbeiden te moeten komen.

"Kom, kom," zeide hij, "laten wij aannemen, dat het de _Rule Britannia_
en de _Yankee Doodle_ was, dan hebt gij beiden gelijk, en dan kunnen
wij ten minste gaan ontbijten, niet waar? Vindt gij dat geen prachtig
voorstel?"

Dat compromis tusschen de beide vaderlandlievende volksgezangen van
Noord-Amerika en van Groot-Brittannië werd tot aller tevredenheid
door beide partijen aangenomen.

Amerikanen en Engelschen gingen stroomopwaarts langs de Niagara en
namen plaats aan de gastvrije tafel van het Goat-Island-hôtel, hetwelk
op eene strook neutraal grondgebied tusschen de beide watervallen
opgetrokken was.

Nu zij eenmaal voor hunne gekookte eieren, voor hunne traditioneele
ham, voor hun koud roastbeef, dat met brandverwekkende mixed pickles
smakelijk gemaakt werd, voor hunne thee, die bij stroomen vloot, om
de beroemde watervallen jaloersch te maken, gezeten waren, nu zullen
wij hen met rust laten. Wie weet daarenboven, of er over die mannen
nog in dit verhaal zal gehandeld worden.

Wij voor ons gelooven aan die waarschijnlijkheid wel het allerminst.

Maar, wie had nu gelijk? De Engelschman, of de Amerikaan?

Dat was zeer moeielijk uit te maken. In ieder geval was dit tweegevecht
een bewijs te meer, hoe hartstochtelijk opgewonden de gemoederen niet
alleen in de Nieuwe maar ook in de Oude Wereld waren ter zake van
een onverklaarbaar verschijnsel, hetwelk sedert een maand ongeveer,
al de hersenen in de war bracht.

 

    .... _Os sublime dedit coelumque tueri_

 

zegt Ovidius Naso ergens in zijne onvergetelijke gedichten ter
verheerlijking van het menschelijk schepsel.

Inderdaad, nimmer had men, sedert de mensch op den aardbol verschenen
was, zooveel en zoo bestendig naar den hemel gekeken als in deze
laatste dagen.

Nu had juist gedurende den voorafgaanden nacht nog, eene luchttrompet
hare schrille koperklanken door het luchtruim laten weergalmen, vlak
boven dat gedeelte van Canada, hetwelk tusschen het meer Ontario
en het meer Erie gelegen is. De een had duidelijk het _Yankee
Doodle_ gehoord, de andere het _Rule Britannia_. Vandaar die twist
tusschen Anglo-Saksers, die met een stevig ontbijt te Goat-Island
eindigde. Misschien hadden zij, alles wel beschouwd, niets van die
vaderlandlievende gezangen gehoord, maar, wat door niemand betwijfeld
werd, was dat dit vreemde geschetter zeer zonderling uit den hemel
naar de aarde scheen neder te dalen.

Moest er aan een hemelsche trompet gedacht worden, die door een engel
of een aartsengel bespeeld werd?.... Had men niet eerder te denken aan
vroolijke en opgeruimde luchtreizigers, die dit klankrijke instrument,
waarvan de Faam een zoo luidruchtig gebruik maakt, bespeelden?

Neen, waarlijk niet. Men kon kijken en turen, zooveel men
maar wilde. Er was geen ballon, en er waren bijgevolg ook geen
luchtreizigers te bespeuren. Een buitengewoon natuurverschijnsel deed
zich in de hoogere luchtlagen vernemen.

Dat was een luchtverschijnsel, waarvan men noch den aard noch den
oorsprong wist aan te wijzen.

Heden werd het boven Amerika vernomen en acht-en-veertig uren later
boven Europa, acht dagen later in Azië boven het Hemelsche Keizerrijk.

Maar als nu die trompet, welker toon zeer duidelijk vernomen werd,
niet die van het laatste oordeel was, welk soort van blaasinstrument
was het dan?....

Dat natuurverschijnsel veroorzaakte in alle landen en streken van
het aardrijk, in de verschillende keizerrijken, koninkrijken of
gemeenebesten eene zekere mate van onrust, die bestreden moest worden.

Wanneer gij in uw huis vreemde en onverklaarbare geruchten zoudt
vernemen, zoudt gij dan niet zoo spoedig mogelijk den aard van die
geruchten willen leeren kennen? En als die nasporingen mislukten, zoudt
gij dan uw huis niet verlaten, om een ander, meer rustig, te betrekken?

Ongetwijfeld, niet waar? Zoo zou ieder verstandig redelijk wezen
handelen.

Maar in het onderhavige geval gold het niet uw huis, maar den geheelen
aardbol.

Men kan dien bol maar niet zoo verlaten, om naar de Maan, naar
Mars, naar Venus, naar Jupiter of naar eene andere planeet van ons
zonnestelsel te verhuizen.

Men moest dus opsporen wat er omging, niet in de onmetelijke
luchtledige ruimte, die onzen aardbol omgeeft, maar in de atmosferische
lagen, welke zich tusschen die ruimte en den bol bevonden.

En, inderdaad, zonder lucht, geen geluid. En daar er toch geluid
vernomen werd van die trompet, zoo moest het natuurverschijnsel
plaats vinden te midden van de luchtlaag, welker dichtheid afnemende
en verminderende is, zoodat zij zich op niet verder dan twee uren
gaans van ons aardrijk uitstrekt.

Natuurlijk bespraken duizenden dagbladen, weekbladen en tijdschriften
de zaak en behandelden haar en bekeken haar van alle kanten. Poogden
zij het natuurverschijnsel toe te lichten, zoo benevelden en
verduisterden zij het ook vaak. Zij verkondigden valsche of ware
berichten, stelden hunne lezers gerust of beangstigden hen, naarmate
dat in hun kraam en in het belang van de grootte hunner oplage te pas
kwam, en prikkelden de menigte, die toch al niet erg op haar gemak
was, hartstochtelijk.

Waarachtig, de staatkunde leed er door, hoewel de zaken over het
algemeen niet minder gedreven werden en noch handelsman, noch
nijverheidsman redenen van ontevredenheid hadden.

Maar, in Godsnaam, wat had er dan toch in dat luchtruim plaats?

Men raadpleegde de sterrenwachten van de geheele wereld. Van Parijs,
van Greenwich, van Berlijn, van Rome, van Leiden.... in een woord
allen. En toen die wetenschappelijke inrichtingen het antwoord
schuldig bleven, vroeg men zich af, waartoe die sterrenwachten,
die zooveel geld kostten, toch wel dienden.

Wanneer sterrenkundigen in staat zijn om sterren in dubbelsterren, in
drievuldige sterren, op duizenden, op honderd-duizenden uren afstand
te ontleden, waarom konden zij den aard en den oorsprong van een
eenvoudig kosmisch natuurverschijnsel niet verklaren, dat toch maar
plaats kon hebben binnen een straal van slechts weinige kilometers?

Waarlijk, de vraag kan gegrond heeten: waartoe dienen die
sterrenkundigen?

Wat er dan ook maar op een telescoop, op een verrekijker, op een bril,
op een neusknijpertje, op een tooneelkijker geleek, werd opgeduikeld om
naar den hemel te turen, zelfs de _monocles_, de eenoogige brillen zou
men ze kunnen noemen, waarvan de fatten zich zoo bevallig bedienen,
werden gebruikt om gedurende die fraaie zomernachten het uitspansel
te bespieden. Allen, die maar oogen en een brilleglas ter beschikking
hadden, waren in de weer, en inderdaad hun getal was ontelbaar. Zonder
overdrijving kon hun aantal, die gezichthelpende instrumenten van
alle lengten en alle dikten bezigden, gerust op honderdduizend, ja
op veel meer begroot worden. Er waren meer waarnemers dan sterren
die aan de hemelsche transen met het bloote oog te zien waren.

Title:Robur de Veroveraar (geïllustreerd)Format:Kobo ebookPublished:December 9, 2015Publisher:Consumer Oriented Ebooks PublisherLanguage:Dutch

The following ISBNs are associated with this title:

ISBN:9990051294767

Look for similar items by category:

Reviews